Tandplaza
Tandcode
Tanden en kiezen worden aangegeven met een cijfercode zodat je altijd weet over welke tand je het hebt.
De kaken worden verdeeld in 4 kwadranten, namelijk in boven en onder en rechts en links.
Kwadranten Blijvendgebit
- Rechtsboven = 1
- Linksboven = 2
- Linksonder = 3
- Rechtsonder = 4
Melktanden hebben een eigen nummering. Bij het melkgebit is rechtboven 5 in plaats van 1 wn zo verder tot en met 8. Door de aparte nummering van de kwadranten van het melkgebit en het blijvende gebit kun je deze nooit door elkaar halen.
Kwadranten melkgebit
- Rechtsboven = 5
- Linksboven = 6
- Linksonder = 7
- Rechtsonder = 8
Elke tand heeft zelf ook een nummer. De voorste snijtand is 1, die daarnaast 2, de hoektand is 3, de kleine kiezen zijn 4 en 5, de grote kiezen 6 en 7 en de verstandsklies is 8.
De hoektand rechtsboeven is de 13 en dat spreek je niet uit als dertien maar als één-drie. Deze codering heet het 2 digit systeem en wordt internationaal gebruikt.
De tanden en kiezen hebben ook allemaal een officiele naam. De snijtanden zijn de incisieven, de voorste of middelste snijtanden zijn de centrale incisieven, de voortanden daarnaast zijn de laterale incicieven. De hoektanden zijn de cuspidaten, de kleine kiezen de premolaren, de grote kiezen zijn de molaren en de verstandskiezen zijn de derde molaren.
Tandnaam
- Incisief = snijtand
- Cuspidaat = hoektand
- Premolaar = kleine kies
- Molaar = kies
- Derde Molaar = verstandskies
Tandcode
- Centrale incisief = 1
- laterale incisief = 2
- Cuspidaat = 3
- Eerste premolaar = 4
- Tweede premolaar = 5
- Eerste molaar = 6
- Tweede molaar = 7
- Derde molaar = 8
Vlakaanduiding
De vlakaanduiding van de elementen. Elk element heeft 6 vlakken, het onderste vlak is niet zichtbaar.
Onder een element zit de wortel of apex en dit is apicale vlak. Dit vlak is meestal een punt en apicaal betekent bij de apex.
Het occlusiale vlak of de incisale rand. Het kauwvlak van een kies, (pre) molaar, is het occlusiale vlak. De snijtanden (incisieven) en hoektanden (cuspidaten) hebben geen kauwvlak maar een snijrand en dat is de incisale rand.
Het mesiale vlak is het vlak van een element dat naar voren of naar het midden gericht is.
Het distale vlak is het vlak van het element dat van het midden af of naar achteren is gericht.
Het labiale of buccale vlak is het vlak aan de buitenzijde van de tandboog die tegen de lippen of de wangen aan liggen. Het labiale vlak is het vlak aan de kant van de lip (labium) en het buccale vlak is het vlak aan de kant van de wang (bucca). Bij tanden spreekt men dus van het labiale vlak en bij kiezen van het buccale vlak.
Het liguale of palatinale vlak is het vlak aan de binnenkant van de tandboog. Het linguale vlak is het vlak aan de kant van de tong (lingua) en het palatinale vlak is het vlak aan de kant van het gehemelte (palatum). Bij de bovenkaak spreekt men van het palatinale vlak en bij de onderkaak van het linguale vlak.
De mesiale en de distale vlakken zijn de approximale vlakken. Het mesiale vlak van het ene element liigt tegen het distale vlak van het andere element aan.
Richtingcode
Apicaal = bij de wortelpunt.
Buccaal = wangzijde.
Distaal = naar achteren, naar de keel.
Incisaal= snijrand van snijtanden en hoektanden.
Labiaal = lipzijde.
Linguaal = tongzijde.
Mesiaal = naar voren bij kiezen en naar het midden bij tanden.
Occlusaal = kauwvlak van kiezen.
Palatinaal = gehemeltezijde.
Vestibulair = dezelfde zijdes als bucaal en labiaal.
Deze richtingen worden gecombineerd om een deel van een element aan te duiden. De knobbels op een element worden vernoemd naar de vlakken waar ze aan grenzen en zo krijg je de mesiobuccale knobbel ( = naar voren en naar de wang), de distobuccale knobbel ( = naar achteren en naar de wang), de distolinguale knobbel ( = naar achteren en naar de tong) en de mesiolinguale knobbel ( = naar voren en naar de tong).
Anatomische richting code
In de anatomie worden voor elk aanzicht en elke richting latijnse namen gebruikt. De richtingen zijn zo dat ze onafhankelijk zijn van de lichaamshouding.
Er zijn drie vlakken van waaruit je tegen het lichaam aan kunt kijken, (omdat er drie dimensies zijn). Het frontale vlak is recht van voren, het sagitale vlak loopt van voor naar achter en het transversale vlak is het horizontale vlak. Het coronale vlak verdeeld het lichaam in een voor en achterkant.
- Superior = boven, het lichaamsdeel dat boven ligt is superior.
- Inferior = beneden, het lichaamsdeel dat beneden ligt is inferior.
- Anterior = voor, het lichaamsdeel dat voor een ander lichaamsdeel ligt.
- Posterior = achter, het lichaamsdeel dat achter een ander lichaamsdeel ligt.
- Proximaal = dichtbij, het lichaamsdeel dichter bij het midden.
- Distaal = veraf, verder van het midden af.
- Lateraal = buitenzijde, van de midden lijn af.
- Mediaal = binnenzijde, naar de midden lijn toe.
Relatieve richtingen:
- Contralateraal = het gelijksoortige lichaamsdeel aan de andere kant van het midden.
- Ipsilateraal = aan dezelfde kant.
- Bilateraal = beide kanten.
- Unilateraal = een van de twee kanten.
Algemene richtingen vernoemd naar lichaamsdelen:
- Craniaal = in de richting van de schedel, cranium = schedel.
- Caudaal = staartzijde, cauda = staart, het is dus de richting tegenover craniaal.
- Ventraal = buikzijde, dus aan de voorkant van het lichaam.
- Dorsaal = rugzijde; achterkant van het lichaam.
Algemene richtingen van het hoofd:
- Nasaal = neusrichting van het hoofd.
- Temporaal = zijkant van het hoofd.
- Occipitaal = achterkant van het hoofd.
Richtingen voor zenuwen en bloedvaten:
- Afferent = aanvoerend, het bloedvat of de zenuw die naar een lichaamsdeel toe gaat.
- Efferent = afvoerend, het bloedvat of de zenuw die van een lichaamsdeel weg gaat
Deze richtingen ben ik niet allemaal tegengekomen in de tandheelkunde en ik gebruik ze zeker niet allemaal op deze website.